Bijna alle insectengroepen gaan in Nederland achteruit

Dat geldt zowel voor de groepen die als larve aan water zijn gebonden, zoals haften, libellen en steenvliegen, als ook bij groepen die geheel op het land leven. De relatief grootste achteruitgang is geconstateerd bij de steenvliegen. Door watervervuiling en normalisering van beken en rivieren verdwenen voor 1940 14 van de 28 inheemse soorten, tot 1960 nog eens vijf, en van de resterende negen soorten zijn er vier zéér lokaal en is één in de Geul levende soort al meer dan tien jaar niet waargenomen. Van de 60 soorten inheemse libellen worden er 15 in hun voortbestaan bedreigd; van de 76 soorten inheemse dagvlinders wordt voor 30 soorten gevreesd.

De gestreepte waterroofkever is sinds 1980 uit grote delen van Nederland verdwenen

De gestreepte waterroofkever Graphoderus bilineatus is momenteel de enige in Nederland voorkomende waterkever met een wettelijk beschermde status. Met een lengte van ongeveer 15 mm behoort G. bilineatus tot de grotere soorten waterroofkevers. Binnen het Europese verspreidingsgebied (vooral in het westen) lijkt de soort sterk achteruit te zijn gegaan gedurende de laatste decennia. Voor 1980 werd de soort in grote delen van ons land (met uitzondering van de brakke kustgebieden) gevonden maar is sinds 1980 op veel plaatsen niet meer waargenomen. De recente vindplaatsen zijn de Nieuwkoopse Plassen, het Vechtplassengbied, Noordwest-Overijssel en de omstreken van Heerenveen. De soort komt in Zuid-Holland buiten de Nieuwkoopse Plassen vrijwel zeker niet meer voor. De oorzaken van de achteruitgang moeten vooral gezocht worden in verslechterde waterkwaliteit.

De Nederlandse broedpopulatie van de lepelaar is vanaf de jaren 1980 sterk toegenomen

De Lepelaar Platalea leucorodia heeft een voorkeur voor dynamische milieus op de overgang tussen zoet en zout en broedt daar op eilanden, in duinvalleien en kwelders, en in het binnenland ook in uitgestrekte moerassen met veel waterriet en wisselend waterpeil. Het aantal broedparen was op een dieptepunt van 150 paar in 1969. Sindsdien heeft de lepelaar zich spectaculair hersteld. Rond 1990 werd de 500-paren grens weer gehaald en in 1995 werden zelfs meer dan 700 paren geteld! Volgens SOVON was er sinds 1990 een significante toename van >5% per jaar en wordt de huidige populatie (2005-2008) geschat op 1.500 - 2.000 paar. De broedpopulaties van de lepelaar waren in de jaren 1990 vrijwel overal in Europa stabiel of namen zelfs toe, met uitzondering van Rusland en de Ukraine (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De populatie op de Waddeneilanden is in een kwart eeuw vertienvoudigd. Bijna tweederde (gemiddeld 63%) van de lepelaars broedt tegenwoordig op de Waddeneilanden. Het IJsselmeergebied (voornamelijk Oostvaardersplassen) en het Deltagebied (vooral Quackjeswater) volgen met elk een aandeel van 15-16%. Het hoofdvoedsel van de lepelaar bestaat uit vis.

De purperreiger populatie groeit gestaag sinds 1990 dankzij aanbod aan vis in veenweidegebied

In tegenstelling tot de leegloop (in de veenweiden van West-Nederland) van kievit, grutto, tureluur, scholekster, veldleeuwerik, graspieper en gele kwikstaart (weidevogelsoorten die afhankelijk zijn van het aanbod aan insecten) is de Purperreiger Ardea purpurea broedvogel populatie in Nederland sinds 1990 met ongeveer 160% toegenomen: in 1990 270-280 paren in 17 kolonies en in 2008 702 in 25 kolonies. Daarmee heeft deze soort zich aanzienlijk weten te herstellen van een inzinking in de jaren zeventig en tachtig, veroorzaakt door droogte in de overwinteringsgebieden (Sahel) en habitatverslechtering in de broedgebieden. Ook in Frankrijk en Italië vertoonde de purperreiger in de jaren 1990 sterke groei, terwijl in sommige Oost-Europese landen de bestanden afnemen (gegevens Birdlife International, zie bijlage). Purperreigers zoeken hun voedsel, dat voornamelijk uit kikkers, vis, (larven van) waterinsecten, kevers en muizen bestaat, langs sloten. Vooral het veenweidegebied met zijn talloze ondiepe en vaak soortenrijke sloten is een ideale habitat voor de purperreiger. Recent onderzoek in veenweiden toonde aan dat de dichtheid aan purperreigers in een polder in belangrijke mate werd verklaard door het aanbod aan vis. Naarmate er meer verschillende soorten en grotere hoeveelheden vis aanwezig waren in een polder werden er meer reigers geteld.

De duinpieper en draaihals kunnen zich ook op de Veluwe niet handhaven en verdwijnen als broedvogels

De afname van het aantal broedende duinpiepers Anthus campestris in Nederland is in de tweede helft van de jaren negentig in een versnelling gekomen. Aanvankelijk namen vooral de aantallen buiten de twee belangrijkste gebieden af, maar daarna zijn ook deze populaties op de Veluwe (het Kootwijkerzand en het Harskampse Zand) voor de bijl gegaan. In 2003 werd nog slechts één territorium gevonden, in 2004 voor zo ver bekend geen enkele. Het dieet van Duinpiepers omvat een breed spectrum van vooral kleine insecten en andere ongewervelden. Het broedgebied van de draaihals Jynx torquilla in Nederland is ook geconcentreerd in de centrale en zuidelijke Veluwe (Kootwijkerzand, Harskampse Zand, Planken Wambuis en de Zuidoost-Veluwe). Sinds 1973-1977 is het aantal paren met 60-75% gedaald en de afname zet nog steeds door, ook in de resterende broedgebieden op de Veluwe. Over de periode 1994-2003 vertoont de landelijke trend een sterke afname. Het voedsel van de draaihals bestaat uit mieren en mierenpoppen.

Kuifleeuwerik, paapje en tapuit verdwijnen als broedvogels uit Vlaanderen

Net als het paapje Saxicola rubetra staan ook de tapuit Oenanthe oenanthe en de kuifleeuwerik Galerida cristata op het punt als broedvogels uit Vlaanderen te verdwijnen. Rond het midden van de jaren '70 werden van de tapuit minstens een 230-tal paren in Vlaanderen geteld, in 1980-1982 nog ongeveer 170 paren, maar vanaf 1985 komen de schattingen niet meer boven de 50 paar uit en in 2003-2005 schommelde de populatie jaarlijks rond 8-12 paren. Het paapje kende sinds de jaren '60 en '70 (toen de populatie in Vlaanderen op 300 paar werd geschat) een dramatische achteruitgang van minstens 90%: schattingen voor 1985-1988 en 1989-1991 leverden resp. 20 en 9-17 paar op en in 2005 waren broedgevallen zeer zeldzaam geworden. De huidige totale Vlaamse populatie van de kuifleeuwerik wordt op maximaal 20-25 paren geschat.

Dramatische achteruitgang van broedvogelsoorten in landbouwgebieden van Klein-Brabant 1988-2001

Bij een vergelijkende broedvogelinventarisatie in 1988 en 2001 in Klein-Brabant (provincie Antwerpen) deden zich de grootste veranderingen voor bij de broedvogels van landbouwgebieden. Sommige vogelsoorten van het boerenland kenden een dramatische afname. Graspieper Anthus pratensis: -96%; Veldleeuwerik Alauda arvensis: -77%; Ringmus Passer montanus: -82%; Boerenzwaluw Hirundo rustica: -69%; Zomertortel Streptopelia turtur: -61%. De Grauwe Gors Miliaria calandra en kwartel Coturnix coturnix zijn zo goed als uitgestorven in het gebied.

Het paapje komt door het gebruik van pesticiden nauwelijks meer voor in het boerenland

In 1960 omvattende de Nederlandse populatie van het paapje Saxicola rubetra 2.500-4000 paren. De huidige aantallen liggen ruim 80% lager. Ook vanaf 1990 is er een significante afname. Voor het paapje is een ruim en gevarieerd insectenaanbod cruciaal. Deze vogelsoort is verdwenen uit het agrarische cultuurland en de duinen. Uit recent onderzoek van Wageningen Universiteit en acht andere Europese universiteiten is gebleken dat het gebruik van pesticiden, zoals in de intensieve akkerbouw, een negatief effect heeft op de biodiversiteit van wilde planten, loopkevers en broedvogels. Ook voor een aantal afzonderlijke broedvogelsoorten waaronder het paapje bleken insecticiden en fungiciden de doorslaggevende factoren te zijn. Het voorkomen van het paapje is nu geconcentreerd in hoogvenen, vochtige heidevelden en natte graslanden in het noordoosten van het land (Drenthe, Oost-Groningen, Zuidoost-Friesland). In het Bargerveen nam het aantal territoria af van van 11 tot 18 in de periode 2000 tot 2003 naar 6 in 2009; in het Drents-Friese Wold nam het aantal territoria af van 9 tot 21 in de periode 2000 tot 2003 naar 9 in 2009.

Voor veel bedreigde vogelsoorten is de mestfauna een belangrijke voedingsbron

Ongewervelden die zich in de mest bevinden, zoals larven van vliegen en mestkevers, zijn een voedingsbron voor insectenetende vogels maar vaak ook een belangrijke eiwitbron voor de jongen van vogels waarvan de volwassenen zaadetend zijn: spreeuwen Sturnidae, kraaiachtigen (o.a. roek Corvus frugilegus, kauw Corvus monedula, zwarte kraai Corvus corone en ekster Pica pica), leeuweriken Alaudidae, gierzwaluwen Apus apus, zwaluwen (o.m. huiszwaluw Delichon urbicum en boerenzwaluw Hirundo rustica) en kwikstaarten Motacillidae (witte kwikstaarten Motacilla alba eten Sphaeroceridae).

De laatste Zwitserse Ortolanen ten dode opgeschreven door gebruik van pesticiden in de intensieve akkerbouw

Het is vrijwel zeker dat de ortolaan (Emberiza hortulana) door het gebruik van pesticiden in de intensieve akkerbouw inmiddels uit Nederland en Vlaanderen is verdwenen. De precaire stand van de ortolaan in Zwitserland was aanleiding om in 2007 een onderzoek te starten naar de habitat- en voedselkeus van broedvogels met jongen, maar snel werd duidelijk dat de werkelijkheid het onderzoek had ingehaald. Er werd niet meer gebroed. Er werd een poging gedaan het foerageergedrag van de laatste Zwitserse ortolanen vast te leggen. Bespoten mais werd het vaakst gebruikt as foerageergebied, gevolgd door rogge en grasland, en vervolgens onbespoten mais. Binnen de bezochte habitats hadden foeragerende vogels een voorkeur voor kale grond wat de keuze voor met herbiciden bespoten maïs verklaart (hoewel de graslanden een groter aanbod van ongewervelde dieren hadden). De keuze voor bespoten maïs was waarschijnlijk de minst ongunstige optie binnen een sterk verarmd leefgebied.